Nachtwerk is in veel sectoren gebruikelijk. In de zorg, de industrie, de logistiek, het vervoer en tal van andere sectoren gaat het werk 24 uur per dag door. Toch wordt nachtarbeid binnen veel organisaties nog lang niet altijd als een afzonderlijk arbeidsrisico beschouwd.
Dat is opvallend, vinden Heidi Lammers-Van der Holst, universitair docent aan het Erasmus MC en onderzoeker op het gebied van slaap- en circadiane wetenschap, en Sonja Smits, arbeids- en organisatiedeskundige bij Sonja Smits Consultancy. Smits is expert op het gebied van gezond en veilig werken in de nacht, nachtarbeid en ploegendienst. "Dit onderwerp komt niet terug in veel van de bekende instrumenten waarin bijvoorbeeld wel aandacht is voor fysieke belasting en werken met gevaarlijke stoffen", zegt Lammers-Van der Holst. "De risico’s worden nog op alle vlakken onderschat."
Duidelijke opdracht voor arbowereld
Daarmee ligt er volgens de twee deskundigen een duidelijke opdracht voor de arbowereld. Want de kennis over de gevolgen van structureel nachtwerk is er inmiddels wel. Werken in de nacht verhoogt onder meer de risico's op hart- en vaatziekten, diabetes type 2, slaapproblemen, een verstoorde werk-privébalans en verminderde alertheid. Dat kan resulteren in ongevallen en verzuim.
De vraag is dus niet langer alleen wat nachtwerk met mensen doet, maar vooral: wat kunnen organisaties en arboprofessionals doen om de risico's ervan te minimaliseren?
Nachtwerk niet zelden blinde vlek in RI&E
Dat nachtwerk nog onvoldoende aandacht krijgt in het preventiebeleid van organisaties, blijkt volgens Smits bijvoorbeeld uit de RI&E's die zij in de dagelijkse praktijk tegenkomt. "Uit het recente rapport 'Nachtarbeid op het spoor' van de Arbeidsinspectie blijkt dat slechts 1 op de 12 bedrijven die gedurende de nacht werken aan het spoor iets meeneemt in de RI&E over de risico's hiervan", vertelt ze. "Er is gewoon nog onvoldoende kennis."
Daarmee ontstaat een opvallend hiaat. Een organisatie kan beschikken over een uitgebreid RI&E-instrument, terwijl een belangrijk onderdeel van de organisatie van het werk buiten beeld blijft. Vooral kleinere bedrijven kunnen daar tegenaan lopen. Zij leunen vaak sterk op bestaande branche-instrumenten. Staat nachtarbeid daar niet in, dan is de kans groot dat het onderwerp ook binnen de organisatie weinig aandacht krijgt.
ZonMw-project: combi wetenschap en praktijk
Precies daarom startte begin 2026 het ZonMw-project 'Nachtarbeid in de schijnwerpers' (zie kader). Het project brengt wetenschappelijke kennis, de praktijk van organisaties en de expertise van arboprofessionals bij elkaar. De eerste fase bestaat onder meer uit literatuuronderzoek, focusgroepen met arbokerndeskundigen, preventiemedewerkers, leidinggevenden en nachtwerkers en een analyse van bestaande RI&E-documenten.
"We willen weten wat er ontbreekt, waar de behoefte ligt en waar de blinde vlekken zitten", zegt Lammers-Van der Holst. "Daarbij kijken we niet alleen vanuit de wetenschap. Juist de combinatie met mensen uit de praktijk is de kracht van dit project."
Beleid hard nodig: 'Nachtwerk is topsport'
Wie het over nachtwerk heeft, komt al snel uit bij roosters. En die zíjn ook belangrijk. Onregelmatigheid beperken en een goede balans tussen werk en rust creëren vormen volgens Smits één van de basisprincipes van een goede organisatie van nachtwerk.
Maar een gezond nachtwerkbeleid gaat verder dan alleen de vraag hoeveel nachtdiensten iemand achter elkaar draait. "Nachtwerk is topsport", zegt Smits. "Het vraagt op de lange termijn veel van mensen. Je moet zorgen voor goede fitheid en voldoende herstel om het vol te kunnen houden." Daarbij spelen ook arbeidsvoorwaarden, de omvang van het dienstverband en de manier waarop organisaties met herstel omgaan een rol.
Bij oplossingen geen 'one size fits all'
Tegelijkertijd bestaat er volgens Lammers-Van der Holst geen universele oplossing. "We weten vanuit de wetenschap dat er geen one size fits all is. Mensen verschillen in de manier waarop ze met onregelmatige werktijden omgaan. Sommigen lijken nachtdiensten beter te kunnen verdragen dan anderen, terwijl anderen juist sneller uitvallen."
Dat betekent volgens haar niet dat organisaties de verantwoordelijkheid bij de individuele werknemer moeten leggen. Integendeel. Juist de werkomgeving kan een belangrijke rol spelen. Recente interviews met nachtwerkers bevestigen dat beeld. Zij blijken behoefte te hebben aan ondersteuning op organisatieniveau. Lammers-Van der Holst: "Organisaties moeten ervoor zorgen dat bewezen werkende maatregelen ook praktisch haalbaar en uitnodigend zijn."
Van powernap tot gezonde maaltijd
Een voorbeeld hiervan is een recente studie onder nachtwerkers. Daar bleek een powernap positief te kunnen bijdragen aan de alertheid tijdens de nacht. Maar een powernap invoeren is meer dan alleen een bed neerzetten. Lammers-Van der Holst: "Het gaat ook over de cultuur binnen een organisatie. Is het toegestaan? Past het bij de werkbelasting? En faciliteert de organisatie die mogelijkheid?"
Hetzelfde geldt voor voeding. Overdag kan er op het werk bijvoorbeeld vers fruit aanwezig zijn, maar wanneer de nachtploeg begint, is dat regelmatig al op. Nachtwerkers grijpen dan mis. Een relatief eenvoudige maatregel kan dan zijn om specifiek voor nachtwerkers een gezonde maaltijd of snack beschikbaar te stellen.
"Dat klinkt als een kleine ingreep, maar je moet het wel organiseren. Wie levert het? Wie betaalt het? En hoe zorg je dat het structureel gebeurt?" Dat zijn precies de vragen waarbij een arboprofessional een rol kan spelen: niet alleen benoemen wat gezond nachtwerk vraagt, maar ook helpen nadenken over de manier waarop een organisatie dat praktisch kan realiseren.
Kijk vooral ook naar het werk zelf
Voor arboprofessionals ligt daar volgens Smits een bredere taak. De eerste vraag zou volgens haar eigenlijk moeten zijn: welk werk moet überhaupt in de nacht worden gedaan? "Als arboprofessional kun je vragen: wat is het beleid? Welk werk moet in de nacht? Hoe ziet het rooster eruit? En hoe monitor je dat?
Voor een veiligheidskundige bijvoorbeeld kan de vraag welke taken iemand midden in de nacht uitvoert, ook relevant zijn. Want als de alertheid afneemt, kan dat bij bepaalde werkzaamheden grotere gevolgen hebben dan bij andere. En: kan een werknemer een taak weigeren of uitstellen wanneer diegene te vermoeid is? Is daar in de organisatie ruimte voor?"
Loopbaanbeleid en duurzame inzetbaarheid
Een ander onderwerp dat volgens Smits meer aandacht verdient, is loopbaanbeleid. In sommige sectoren kiezen werknemers bewust voor nachtdiensten vanwege de toeslagen. Tegelijkertijd passen mensen hun bestedingspatroon aan op hun inkomen uit onregelmatig werk. Mocht over 10 of 20 jaar blijken dat onregelmatig werken niet meer kan, dan heeft dat dus direct effect op hun leven.
"Topsport houd je niet je hele leven vol", zegt Smits. Daarmee pleit ze niet voor een standaardleeftijd waarop iemand met nachtwerk zou moeten stoppen, maar wél voor een gesprek over duurzame inzetbaarheid. Wat betekent het huidige rooster voor iemand op langere termijn? Zijn er alternatieven? Kan iemand tijdelijk of structureel ander werk doen? En hoe kan een organisatie kennis en ervaring behouden zonder werknemers onnodig lang bloot te stellen aan belastende werktijden?
Dit onderwerp is extra relevant in sectoren met personeelstekorten. Want: als vacatures voor nachtdiensten moeilijk te vullen zijn, komt de belasting terecht bij een kleinere groep werknemers. Daarmee ontstaat een zichzelf versterkend probleem: het nachtwerk wordt zwaarder en daarmee de kans op uitval groter, terwijl juist de mensen die het werk al langer doen, moeilijk te missen zijn.
Van kennis naar praktische instrumenten
Met het ZonMw-project willen de deelnemende partijen uiteindelijk vooral zorgen dat kennis beter landt in de dagelijkse praktijk. Niet door nóg een rapport te maken dat in een la verdwijnt, maar door bestaande structuren te verbeteren.
Een belangrijke uitkomst van het project wordt daarom een open toegankelijke RI&E-module over nachtarbeid. Daarnaast komen er een Arbocatalogus-tegel met toegankelijke informatie voor werkgevers en werknemers en een modulair onderwijsprogramma voor arboprofessionals.
De ambitie is om de kennis zo veel mogelijk onder te brengen in bestaande branche-instrumenten, arbocatalogi en opleidingen. Zo hoeven organisaties en arboprofessionals niet telkens op zoek naar afzonderlijke informatie. "De grootste impact ontstaat wanneer branche-instrumenten deze producten omarmen en integreren", zegt Smits. De resultaten worden eind 2027 verwacht.
Wat kan de arboprofessional nu al doen?
Het project zit nog in de verkennende fase en de uitkomsten laten daardoor nog even op zich wachten. Maar er zijn natuurlijk zaken die arboprofessionals nu al kunnen oppakken.
Zoals beginnen met de vraag of nachtarbeid binnen de organisatie überhaupt voldoende in beeld is. Staat het in de RI&E? Is er evaluatie op roosters en hersteltijd? Is duidelijk hoeveel uren en nachten mensen daadwerkelijk werken? Wordt er gekeken naar de combinatie van werkbelasting, herstel en de specifieke taken die mensen 's nachts uitvoeren? En is er aandacht voor woon-werkverkeer na een nachtdienst? Smits: "Veel bedrijven hebben bijvoorbeeld de urenregistratie niet op orde. Dan kun je ook niet evalueren."
Daarnaast kunnen arboprofessionals het gesprek aangaan met werkgevers en werknemers. Niet alleen over de vraag hoe het nachtwerk veiliger kan. Maar ook over de fundamentelere vraag waarom, wanneer en door wie het werk 's nachts wordt uitgevoerd.
De oplossingen hoeven niet altijd groot te zijn. Een betere rustvoorziening, passende verlichting, een powernapmogelijkheid, gezonde voeding tijdens de nacht of meer aandacht voor herstel kunnen onderdeel zijn van een bredere aanpak. De eerste stap is dat de organisatie het onderwerp serieus neemt en er structureel beleid op maakt.
Duidelijke plek voor nachtwerk in arbobeleid
Zoals gezegd bevindt het ZonMw-project zich nog aan het begin van de route. De komende tijd (het project loopt tot oktober 2027) moet duidelijk maken welke kennis, instrumenten en praktische oplossingen het beste aansluiten bij de behoefte van arboprofessionals en organisaties. Daarbij wordt nadrukkelijk gebruikgemaakt van de ervaringen van mensen uit de praktijk.
Voor Lammers-Van der Holst en Smits staat één ding echter al vast: nachtarbeid hoort een duidelijke plek te krijgen binnen arbobeleid. Niet als onderwerp dat alleen aandacht krijgt na een incident, maar als structureel onderdeel van de preventieve aanpak. Nachtwerk hoort net zo vanzelfsprekend thuis in de arbopraktijk als andere bekende arbeidsrisico's.












