VBI maakt sinds jaar en dag prefab-vloersystemen die steeds minder beton en staal vergen voor de woning- en utiliteitsbouw. Op de woningmarkt is de vloerenproducent groot in grondgebonden woningbouw. Dat gaat veranderen, vertelt Bert Jongsma, degene die bij VBI de ontwikkeling voor de vloeren voor appartementen leidt. “We zien veel potentie in appartementen, een marktsegment dat binnen de totale jaarlijkse woningbouw al ruim de helft van het volume vertegenwoordigt. Mede daarom hebben wij recent een nieuwe kanaalplatenfabriek in Koudekerk aan den Rijn geopend. In een straal van 70 kilometer woont daar ruim de helft van alle Nederlanders en vindt 60 procent van alle nieuwbouw plaats.”
Scheiden van constructie en installatie
VBI wil de markt veroveren met het VBI-Granab HVS: het Hybride Vloer Systeem. “Bij appartementenbouw hebben massieve betonnen vloeren nu de overhand”, zegt Jongsma. “Daarin worden installaties nu mee gestort, waardoor de toekomstige aanpasbaarheid nul is. Scheid je de constructieve functie en de installatielaag, dan wordt aanpassen en hergebruiken mogelijk. Dat vergroot de toekomstwaarde. Ons nieuwe systeem bestaat uit een lichte, CO₂-arme kanaalplaatvloer, met daarboven de installaties en daarop een droge opbouwvloer met afbouwplaat. Het voldoet aan alle sterkte- en geluidseisen en weegt compleet circa 360 tot 480 kilo per vierkante meter, tegen 800 tot 870 kilo traditioneel. Bijna een halvering, wat ook positief doorwerkt in fundering en draagstructuur. De CO₂-uitstoot ligt volgens de EPD’s 34 tot 46 procent lager. En je bouwt sneller, door droge montage zonder uithardingstijd.”

Bewezen techniek
Aannemers meenemen in deze duurzame en prefab ontwikkeling wordt niet eenvoudig, erkent hij. “De grootste uitdaging is het doorbreken van de massieve bouwwijze die al decennia vertrouwd is. Bij lichte vloersystemen bestaat ten onrechte scepsis over de geluidsprestaties en draagkracht. De vuistregel dat 800 kilo per vierkante meter nodig is voor de geluidseisen is diep verankerd. We zullen bij alle loketten langs moeten gaan om aan te tonen dat we dit kunnen en uit te leggen waarom we het anders doen. De techniek heeft zich al bewezen: in Zweden wordt dit type opbouwvloer al sinds de jaren negentig op grote schaal toegepast. Met onze rekentool bepalen we al in de schetsontwerpfase of ons systeem een passende keuze is.”
CO₂ wordt toegangseis
In de bouwsector ziet Jongsma al een kentering. “Tot voor kort had niemand het over lichter bouwen in appartementenbouw. Nu willen architecten en aannemers erover doorpraten. Niet gek: de milieuprestatie van materialen verschuift van keuzeargument naar toegangseis. De wettelijke MPG-eis staat sinds 2025 op 0,8 en wordt naar verwachting aangescherpt. Grote ontwikkelaars en corporaties zullen via de CSRD moeten gaan rapporteren over de CO₂-impact van hun portefeuille, en het vloersysteem is daarin een van de grootste materiaalposten. Daar komt de Paris Proof-ambitie van 35 kilo CO₂ per vierkante meter nog bij. Wie dan nog niet intrinsiek gemotiveerd is voor verduurzaming, wordt het wel via de portemonnee: energie-, CO₂- en materiaalkosten zijn immers fors gestegen.”
Marktintroductie
Jongsma verwacht veel belangstelling. “Grote vraag is geen probleem: VBI en onze opbouwvloerpartner draaien flinke volumes en kunnen fors opschalen. Het duurt wel even voordat de vloeren in een woontoren te vinden zijn. De marktintroductie is in september; dan gaan we architecten en constructeurs overtuigen om het in de ontwerpen van hun projecten voor te schrijven. En voordat een woningproject is opgeleverd, ben je zeker twee jaar verder.”
Dit artikel is gesponsord door VBI.






